Het verhaal volgt Pluk, een zelfstandig jongetje dat in zijn kleine, rode kraanwagentje rondrijdt op zoek naar een huis. Hij vindt een prachtig torenkamertje helemaal bovenin de Petteflet. Al snel sluit hij vriendschap met de bijzondere bewoners van de flat:
De Stampertjes: Een chaotisch maar gezellig gezin met een vader en zijn kerngezonde, ietwat vieze zoontjes.
Aagje en mevrouw Helderder: Aagje is een net meisje dat van haar smetvrezende moeder nooit vies mag worden.
Meneer Pen: De behulpzame eigenaar van de plaatselijke boekenwinkel.
De menselijke toren.
Vader Stamper hangt bovenin over de balkonrand om zijn zoontjes vast te houden.
De majoor van de brandweer (de man met de brandweerhelm op zijn rug) is zó dol op jam dat hij stiekem de hele kelder van de Petteflet heeft volgezet met honderden jampotjes.
Pluk heeft Zaza in zijn kamer opgenomen omdat mevrouw Helderder (de moeder van Aagje) een enorme hekel heeft aan ongedierte en de kakkerlak overal probeert dood te spuiten met haar gifspuit.
De Krullevaar is nog jong en kan nog niet vliegen. Pluk brengt hem naar de kluizenaar op de hei (de Heen-en-Weerwolf) en helpt de vogel te oefenen. Uiteindelijk vliegt de Krullevaar veilig weg naar een warm land, samen met zijn soortgenoten.
De hasselbramen.
Iedereen die daarvan eet, wordt ineens heel aardig, vrolijk en krijgt zin om te spelen. Pluk gebruikt die bramen om de gemene plannen van de vogelvangers en de museumdirecteur te dwarsbomen.
Omdat ze vindt dat Pluk (een klein jongetje) niet alleen in zo'n grote torenkamer hoort te wonen, wil ze de ruimte opeisen.